→
HET PROGRAMMA
Online coachingsprogramma
Body Empowerment
Verander je lichaamsbeleving
BOek Etenslessen
Lees het boek
Het oplossen van de oorzaak van overeten vindt Hanna van grotere waarde dan het gewicht dat ze daarmee verloor. Als dochter van een predikant leerde ze om het goede voorbeeld te geven. Het was een rol die ze heel serieus nam. Alles wat niet voorbeeldig was hield ze verborgen. Gevoelens zoals boosheid, maar ook stiekem eten werden daar een onderdeel van.
In een openhartig gesprek vertelt ze hoe ze de weg terugvond naar de aansluiting met haar gevoelsleven en tot nieuwe ideeën kwam over wie ze mag zijn. Ze vertelt je ook welke tool haar daarin het meest heeft geholpen. Laat je inspireren door de Etenslessen van Hanna.
Soms deelt een deelnemer haar Etenslessen met jou. Dat vind ik elke keer bijzonder. Ik kan je wel vertellen hoe waardevol het is om overeten te zien als de weg uit overeten. Maar ik snap ook dat je daar lang tegenaan blijft hikken. Je twijfelt over wat je onderweg tegenkomt. Je vraagt je af of het werkt, en of je dan ook echt gewicht verliest. En of je op je resultaat mag vertrouwen.
Vandaag luister je naar Hanna. Zij groeide op als dochter van een predikant. Ze leerde het goede voorbeeld te geven, en dat nam ze heel serieus. Alles wat niet voorbeeldig was, hield ze verborgen. Boosheid hoorde daarbij. Stiekem eten ook. Het oplossen van de oorzaak van haar overeten vindt ze nu van grotere waarde dan het gewicht dat ze verloor.
Hanna is op het punt waarop ze zegt: ik kan dit verder zelf. “Ik heb die tools,” vertelt ze. “Alles wat ik heb geleerd en wat ik blijf stimuleren in mijn ontwikkeling. Dat kan ik nu in mijn achterzak steken.”
Zo werkt het ook. Je relatie met eten blijft bestaan, net als elke andere relatie. Als je weet hoe je die onderhoudt en er geïnspireerd in blijft, gaat je ontwikkeling door. Daarom is het waardevol om te kijken wanneer je kunt zeggen: ik heb hier genoeg geleerd. Vanaf daar ga ik met vertrouwen verder met mezelf.
Hanna komt uit een gezin met vier kinderen en is de oudste. Haar vader is predikant, haar moeder was leerkracht. De kerk was een groot thema in hun leven. Het was een warm gezin, met veel gezelligheid. Er was ook druk: hoe doen wij het?
Ik vroeg of ze als kind het gevoel had dat ze een voorbeeldkind moest zijn. “Je hebt wel een aparte positie, zeker vroeger in een kerk,” zei ze. “Het is belangrijk wat je wel en niet zegt. Je krijgt best veel mee. Je kunt niet alles zomaar met anderen bespreken.” Gedrag was een groot thema. Goed of niet goed, daar leefde je voor. En hoe doe je dat dan samen?
Van die zelfcensuur was Hanna zich heel erg bewust. Praten met haar ouders ging niet. “Het was meer: zo doen wij het samen,” vertelt ze. “Er was geen ingang om te spreken over hoe we dat dan doen.” En over hoe het voelde al helemaal niet. Heel functioneel dus.
Ze was wel een gevoelig en creatief meisje. Ze kon lekker in haar eigen wereld zijn. Voor dat stukje was geen aandacht in de opvoeding. Dat werd een knelpunt in zichzelf: de hele tijd goed willen doen en heel braaf willen zijn. Gevoelig zijn voor wat dan goed is. “Dit kan wel, dit kan niet, dat voelde ik meteen,” zegt ze. “Ik ben een kei geworden in van buiten naar mezelf kijken.” Als klein meisje nam ze dat heel serieus.
Dat vind ik zo bijzonder aan gezinnen waarin niet over gevoelens wordt gepraat. Stel je voor dat je niet weet dat de kleur blauw bestaat. Dan kun je ook niet weten dat je de kleur blauw mist. Zo werkt het met je gevoelsleven. Als je niet weet dat je daar bewustzijn en communicatie over nodig hebt, weet je niet dat je het mist.
Wat je dan bij je draagt, zit opgesloten in jezelf. Emoties die je niet kunt duiden. Een druk om je voorbeeldig te gedragen die je niet kunt benoemen. Hanna herkende dat meteen.
Thuis ging het over eten op een manier die ze zich goed herinnert. “Toen ik echt klein was, was het: eet jij de pannen even leeg,” vertelt ze. “Ik was gewoon een hele goede eter en dat vonden mensen heel gezellig.” Ze wilde altijd wel iets aannemen of iets eten. Thuis klonk het net zo. Hanna, eet jij het restje even op.
Als kind was dat oké. In het begin van haar tienertijd werd ze steviger. Toen gingen haar ouders erop letten. “Zou je dit nou wel doen,” zeiden ze dan. Voor Hanna was dat een heel tegenstrijdige boodschap.
Eerst was het aandoenlijk. Je was in de groei en het was de bedoeling dat je lekker goed at. En toen was dat schattige er ineens af. “Moest ik erop gaan letten,” zegt Hanna. Het werd een zorg, en ze kreeg bezorgde blikken. Daarmee kwam de boodschap: dit is niet goed.
Dat haakte precies aan op het goed willen doen. Die rommel in jezelf, noem ik dat weleens. Ik vroeg welk effect het had op haar omgang met eten. “Dat er heel veel stiekem werd,” antwoordde ze.
Rond haar tiende of twaalfde liet ze niet meer zien wat ze at. “Ik had wel ontzettende behoefte om te eten,” vertelt ze. “Ik wist natuurlijk niet waar dat vandaan kwam.” Ze kwam al een beetje vast te zitten: de hele tijd willen eten, stiekem eten halen, het verstoppen op haar kamer. Haar moeder vond het en vond er iets van. Niet goed, dus.
Zo wees ze ook zichzelf af. “Ik dacht zelf ook: dit is ook niet oké.” Daardoor belandde ze in haar tienertijd in het spoor van diëten. Dit gaat niet goed, dacht ze. Ik heb een plan nodig.
Ik vroeg of ze achteraf kan zien waar haar verlangen naar eten over ging. Het bleef even stil. “Ik denk echt gezien worden,” zei ze toen. “Een soort emotionele erkenning van: dit ben jij en dat is oké, jij bent oké.”
Dat ontbrak. En in het gemis daarvan vervulde eten een functie. Zo kijkt ze er nu naar.
Er was genoeg te kiezen. Hanna heeft ze ongeveer allemaal gedaan. “Als het één niet werkte, dan moest ik toch wat anders,” vertelt ze. Er kwam ook steeds weer een nieuwe weg. Dan weer geen brood. Daarna weer calorieën tellen. Nou, van alles.
De boodschap daarin is altijd eenzijdig. Het is een kwestie van weten wat je moet eten. Tot nu toe wist je dat nog niet. Maar als je zo eet, valt alles op zijn plek. Je leest het of je hoort het en je denkt: goed verhaal.
Ik vroeg wat het met haar deed om steeds opnieuw teleurgesteld te raken. “Ik vind het zelf ongelooflijk dat ik steeds weer opnieuw kon beginnen,” zei ze. “Want ik dacht altijd: er is iets niet goed met mij, ik kan dit niet.” Hoe kan het dat zij het niet volhield en zoveel anderen wel? Daarin snapte ze zichzelf ook niet.
Als dat gevoel wegebde, kwam het verlangen terug. Dit is niet hoe ik wil zijn. Ik weet dat het anders kan, maar hoe? En dan stelde ze haar vertrouwen weer in een volgend programma.
Door dat steeds te doen, was ze niet meer helemaal in lijn met zichzelf. In haar hoofd begreep ze het heel goed. Hup, weer een nieuw plan, schouders eronder. Aan haar gevoel besteedde ze eigenlijk geen aandacht.
“Ik kon heel goed functioneren op mijn hoofd zonder bij mijn gevoel te komen,” zegt ze. Zo was ze ook opgevoed, en de diëten versterkten dat. Een soort van niet helemaal bij jezelf leven. Zo voelt het dan.
Kinderen die veel discipline kunnen opbrengen, komen hier enorm in de knel met zichzelf. Want afspraken moet je nakomen. Je moet toch betrouwbaar zijn? Als je met jezelf hebt afgesproken wat je vandaag eet, moet je je daar toch aan kunnen houden? Hier staat je menu van de dag. Je hebt het in huis gehaald. En nu doe je wat anders.
Ik vroeg of ze dat als haar grootste pijn omschrijft. “Dat niet integer zijn is voor mij een soort omslagpunt geworden,” zei ze. “Dat voelt als echt ontrouw zijn aan jezelf. En dat dringt zo in je systeem.”
Je wilt het oplossen, maar je weet niet hoe. Dus probeer je elke keer een nieuw plan. Je wilt trouw zijn aan jezelf en laten zien dat je betrouwbaar bent.
Zo proberen we niet alleen onze omgang met eten te sturen. We proberen ook onze integriteit te herstellen. Ik kan iets met mezelf afspreken en me daaraan houden, dat moet ik toch kunnen? Als dat niet lukt, zegt dat iets over jou persoonlijk. Dan wordt het een tekortkoming die je jezelf kwalijk neemt.
“En dan speelt in je hoofd: hoe kan het dat ik het op andere gebieden wel kan?” vertelt Hanna. Op haar werk is ze heel verantwoordelijk. Ze ontwikkelt zichzelf en later zorgt ze ook voor haar gezin. Hoe kan het dan dat het met eten niet lukt? “Ik nam mezelf dat echt kwalijk.”
In dat continue falen kun je op een punt komen waarop je zegt: ik accepteer mezelf maar met dit gewicht. Het is te pijnlijk om steeds een herhaling van zetten te doen. Steeds opnieuw in conflict raken met jezelf is ontmoedigend. En elke keer herken je dat gebrek aan integriteit. Jij bent niet betrouwbaar. Met jou kan ik geen afspraken maken. Dat erodeert de relatie met jezelf.
Soms zeggen we dan uit zelfbescherming: ik doe je dit niet meer aan. Misschien moet ik besluiten dat ik meer eet en meer weeg dan ik wil. En daar maar vrede mee sluiten. Hanna heeft dat zeker geprobeerd. Het lukte haar niet.
“Het komt uit een soort wanhopig gevoel van: nou ja, laat dan maar,” legt ze uit. Het komt niet uit de wens om gewoon te zijn zoals je bent. Er ligt wanhoop onder. Daarom kreeg ze er geen vrede mee. “Elke keer voelde ik: ik zit niet lekker in mijn lijf.”
Ik wilde dat beter begrijpen. Gaat het over gedrag waar je geen vrede mee kunt sluiten? Voel je je een slaaf van je impulsen? Of gaat het over hoe je je lichaam beleeft?
“Het zit denk ik het meeste in je eigenwaarde,” antwoordde Hanna. “Dit klopt niet als ik het laat gaan.” Af en toe heeft ze ook het gevoel dat haar lichaam niet klopt. Maar het meeste zit in dat eerste. Als ze het laat gaan, leeft ze nog steeds niet zoals ze van binnen voelt dat ze wil leven.
Dan probeer je je dus te verzoenen met iets waarvan je voelt dat het niet klopt voor jou.
Ik vroeg wat dat voor haar precies onacceptabel maakte. Dat vond ze een moeilijke vraag. Je kunt je afzetten tegen de schoonheidscultuur. Je kunt zeggen: ik staar me niet blind op hoe de wereld me vertelt dat ik eruit zou moeten zien. Ik laat eten ook niet moraliseren.
Dus niet vanuit een moreel godsbesef van goed of fout gedrag. Niet vanuit een consumptiemaatschappij of een schoonheidsideaal. Maar puur voor jezelf. Wat maakt nou dat je zegt: nee, ik pik dit niet?
“Dat gaat denk ik wel over jezelf waardevol willen vinden,” zei Hanna. “Het voelde voor mij alsof ik een stukje van mijzelf verwaarloos als ik maar blijf eten.” Ze is als mens het waard om het zo goed mogelijk voor zichzelf te doen. Het goede dus. Niet over goed en fout, maar goed voor haar.
Dat gaat over je welbevinden. Eten is een vorm van zelfzorg, en wel een die dagelijks terugkeert. Als die zelfzorg uit het spoor is, merk je dat in de relatie met jezelf. Je wilt dit stuk op orde krijgen. Langs een dieet lukt dat niet. En als je het loslaat, vindt het ook niet vanzelf een fijne vorm.
Daar komen we uit bij de oorzaak van overeten. Wat er in die zelfzorg niet klopt, vertelt je iets. Er is een overmatig verlangen naar eten. Dat verwijst naar iets waarvan je nog niet weet wat het is. Het trekt je aandacht en blijft zeggen: hier klopt iets niet.
Daardoor dacht Hanna bij het luisteren naar de podcast: wacht even. “Het is niet de quick fix en het is ook niet laat maar,” vertelt ze. “Je hebt het overeten zelf nodig om het op te lossen.” Dat wilde ze leren.
Hoe kan ik dat gebruiken om met mezelf in vrede te zijn? Zonder die strijd de hele tijd te voelen? Op discipline proberen te sturen lost de oorzaak niet op. En alles maar laten gaan voelt machteloos. Hier bewoog ze juist naar zichzelf toe.
Ze deed in die periode naast haar baan een masteropleiding, en die loopt nog. Ze studeert begeleidingskunde. Dat gaat helemaal over jezelf als begeleider, in één-op-één contact en in organisaties. Eerst dacht ze: dit moet na elkaar. Eerst de studie afronden, want dat wordt al veel reflecteren.
Juist in die studie kwam ze zichzelf tegen. “Ik kon heel erg in mijn hoofd zijn, losgekoppeld van mijn gevoel,” zegt ze. Aan de buitenkant praat ze lekker door. Het is gezellig en vriendelijk. En ondertussen voelt ze ongemak. “Ik heb een soort van nog een laag in mezelf die ik heel vaak helemaal niet ontdek.”
Toen kwam de podcast langs. Daar hoorde ze hetzelfde: aandacht voor je gedachten, maar ook voor die laag van emotie. Het zou elkaar weleens kunnen versterken, dacht ze. Laat ik het toch doen.
In het begin kon ze het nog niet pakken. “Ik ging weer gewoon het brave meisje zijn en lekker het programma volgen,” vertelt ze. Vink, vink, vink. Ik heb alles afgewerkt, nou moet het gaan werken.
Naarmate de fases verdergingen, begon ze iets te zien. Ongemak in een begeleidingsgesprek. Ongemak thuis of ergens anders. “Dat eet ik heel vaak weg,” ontdekte ze. En toen kwam de echte vraag. Hoe kan ik dat dan gewoon voelen? Hoe mag dat er gewoon zijn?
Ik noem dat vaak de spouwmuur. Je hebt de steentjes aan de buitenkant van een woning. Daarachter zit een holle ruimte. En dan heb je de steentjes van de binnenmuur.
Zo’n aangepast kind leert haar gevoelens binnen die binnenmuur te houden. Daartussen gebruikt ze een spouwmuur van overeten. Aan de buitenkant kan ze poseren en performen wat geoorloofd en veilig lijkt. Aangepaste kinderen zijn hier zo goed in.
Wat gebeurt er dan als je het overeten loslaat? Wie word je? Wat doe je met die binnenkant, en wat laat je daarvan zien? Ik vind het zo mooi dat dit kind begeleidingskunde is gaan studeren. Als volwassen vrouw ziet ze nu: dit is eigenlijk heel fascinerend.
Ik vroeg om een voorbeeld waarin ze dit echt tegenkwam. Ze werkt in het basisonderwijs en zit in een managementteam. “Als er situaties zijn die ik heel moeilijk vind of die mij raken, kan ik dat nu veel meer laten zien,” vertelt ze.
Vroeger stapelde ze alles op door de dag heen. Alles een beetje onderdrukken om het werk voor elkaar te krijgen. Nu zegt ze: ik heb even een gesprekje nodig. Of: ik heb even verdriet, want er is iets ergs. “Niet dat ik dan de hele dag loop te huilen. Maar dat even mogen laten zijn, dat is zo anders dan het was.”
En dus komt ze niet meer thuis met helemaal opgestapelde emotie en spanning. Het eerste wat je thuis dan doet, is eten. Want die spanning moet eraf.
Het is een verschil van dag en nacht, zegt ze. Elke ouder met kinderen op de basisschool weet trouwens dat er in de lerarenkamer altijd traktaties staan. Altijd.
Als gevoelens enorm stapelen en niet geuit mogen worden, gebeurt er iets. Hanna heeft nu een vorm gevonden. Door op deze manier eigenaar te zijn van wat ze voelt, geeft ze het bestaansrecht. Ze laat daarin enige transparantie zien naar haar omgeving. Dan heeft ze een andere ervaring. En dan hoeft ze thuis al niet meer te eten.
“Ik heb gewoon als mens nodig dat ik dat kan uiten,” zegt ze. “Maar ook dat ik daar verbinding op kan maken met anderen.” Het geldt dus voor haarzelf en voor haar verbindingen.
Ik werd nieuwsgierig. Kan ze zich nog lekker voelen in groepen waarin gevoelens niet aan de orde zijn? “Nee, niet goed,” antwoordde ze. Ze heeft nu zelfs steeds de neiging om dingen te willen bespreken. Dat kan ook te ver gaan, lacht ze. Het hoeft natuurlijk niet in alles.
Ik vraag het omdat ik door de jaren heen iets zie. Gevoelens zijn een waardevol navigatiesysteem in de wereld. Dus is het belangrijk dat de kleur blauw een vanzelfsprekend onderdeel is van hoe we communiceren. Zo vinden we samen onze weg in wat we belangrijk vinden.
“Je ziet ook dat op plekken waar minder over de kleur blauw wordt gesproken, die er wel heel erg altijd is,” zei Hanna. Bingo. In repressie groeit de druk. En als de repressie collectief is, is de hele kamer misschien wel blauw.
Zelf zie ik dit als een heelwording. Wat ooit een beetje scheef groeide, kan herstellen. Je groeit op en gaat jezelf censureren. Daardoor kun je de rijkdom van je gevoelsleven niet benutten. Vaak ontstaat dan een afhankelijkheid van iets wat dat compenseert. En eten is voor kinderen vaak dichtbij.
Heling vindt Hanna ook een mooi woord. Ze schreef ooit iets op na een heel goed gesprek met haar ouders. “Ik voelde daarna zo dat ik trouw was geweest aan mijn eigen gevoel,” vertelt ze. “Het voelde echt als: ik val weer samen.” Haar gedachten waren niet langer ergens anders dan haar gevoel. Ze was van één.
Zelf heb ik dat ook zo ervaren. Zolang dat samenvallen er niet was, beredeneerde ik vooral mijn aangepaste gedrag. Ik was trouw aan mijn rol en aan de verwachting die ik mezelf oplegde. Daar werd ik om gewaardeerd en beloond. En met alles wat ik inhield wist ik geen raad. Het voelde alsof er iets ontbrak.
Hoe meer dat weer samenkwam, hoe meer mijn lichaam een veilige plek werd. Een thuis dat er altijd is, ook als er lastige gevoelens doorheen gaan. Hanna ervaart dat ook steeds meer. “Ik heb heel veel gehad aan met jezelf schrijven als je beste vriendin,” zegt ze. “Dat was nooit in me opgekomen.” Ze kan helemaal bij een gevoel zijn als zichzelf en daarover schrijven.
Dat stuk ontdekte ze in het programma. Het geeft zoveel rijkdom. Het helpt om jezelf als geheel te ervaren, doordat alles er mag zijn. Je kunt over alles schrijven en je blijft erbij. Het is allemaal oké. Het wordt allemaal ontvangen.
En dan is er de wijsheid die kan ontstaan. Langs je gevoel en het gesprek daarover vind je soms een diepere waarheid. Of je ontdekt een misverstand in de rol die je jezelf hebt gegeven. Wat ik daar liet zien voelt niet goed, denk je dan. En schrijvend ontdek je waarom: omdat ik mezelf iets opleg wat niet meer bij mij past.
Ik vroeg of er door dat schrijven dingen voor haar zijn veranderd. “Ik vind je allemaal lastige vragen stellen,” zei ze. Even graven, zonder dat je je kunt voorbereiden.
Toen vertelde ze iets moois. Boosheid vindt ze een heel moeilijk gevoel. “Dat is ook nooit een soort oké geweest,” legt ze uit. Boos worden deed ze eigenlijk nooit. Weleens geïrriteerd, en dan had je het wel ongeveer gehad.
Bij het schrijven probeert ze ook de leegtes op te schrijven. Dan noteert ze gewoon: er komt nu niks. Ze laat het even gebeuren. “En dan kan ik soms voelen: wacht even, misschien ben ik wel verontwaardigd hierover.” Of: misschien voel ik mij miskend, en dat vind ik niet oké. Zo komt dat gevoel een klein beetje boven. Dat is wel een verandering.
Haar rol was braaf zijn. Boos zijn of heel expressief zijn hoorde daar niet bij. Vrolijk zijn werd gewaardeerd. De andere kant niet.
Als kind ben je volledig afhankelijk van je ouders en je netwerk. Als je dan voelt dat woede hier niet gedaan wordt, is dat gewoon regel. Punt. En dan stop je het zo diep weg dat je niet eens herkent dat je ergens boos om werd.
Achteraf kon ik in het oplossen van overeten steeds vaker de broodkruimels van Hans en Grietje terug volgen. Naar een moment, naar een situatie. Ah, hier heb ik mijn boosheid eronder gehouden. En als je dan niet overeet, kun je het herkennen. Hier is je verontwaardiging.
Ik vroeg hoe ze nu kijkt naar de verandering in haar omgang met eten. “Waar we het net over hadden, is de allergrootste bewustwording,” zei ze. “En daar zit voor mij zelf de grootste waarde.”
De focus op eten, afvallen en een programma volgen is juist veel minder geworden. “Ik besef steeds: ik ben aan het leven. En daarin ga ik stukje bij beetje dat overeten oplossen.” Dat is niet iets van vandaag op morgen.
Ze wil integer zijn met zichzelf, en daar hoort het eten bij. “Het gaat helemaal niet meer over kilo’s,” vertelt ze. Dat is eigenlijk weggeraakt. En dat is niet het laat-maar-zijn dat eerder niet werkte. Haar focus zit op wat ze belangrijk vindt en hoe ze het integer wil doen in haar leven.
De uitkomst is dat ze haar overeten opruimt. In drukke periodes staat het even niet op de voorgrond. Dat is dan even zo, en dat is het leven. Daarna komt de focus terug, bijvoorbeeld op hongerbalans. Ook dat is niet meer haar grootste doel.
Naarmate die basisvaardigheid groeit, neemt de stabiliteit toe. Je kunt je dagen in jezelf begeleiden zonder overeten. En de mate waarin je drukke periodes doorkomt, zit met vallen en opstaan in een stijgende lijn. Overeten ruim je situationeel op. Voor Hanna is continuïteit in drukke tijden nog een Etensles. Maar ze ziet daar een stijgende lijn, met de tools die ze nu heeft.
Ze is daarin ook gewicht verloren. Hoeveel precies weet ze bijna niet meer. “Het was iets van zes, zeven kilo,” zegt ze. “Ik hou me daar dus heel veel minder mee bezig.” De ruis van bijhouden en tellen is vervaagd. Vroeger monitorde ze vooral de kilo’s. Wat ze precies had gegeten, negeerde ze het liefst.
Ik vroeg of ze nog iets wil meegeven. “Voor mij was het echt een opening: nieuwsgierig zijn naar jezelf,” zei ze. “Steeds weer een stapje verder en steeds weer: maar hoe zit dat dan echt?” Uit nieuwsgierigheid, niet uit veroordeling. Gewoon het willen weten. En werken met kleine experimentjes: laten we dat eens onderzoeken.
Daar begon ons gesprek ook. Waarom kan ik me niet aan mijn eigen afspraken houden, en waarom veroordeel ik mezelf daarin zo? Dat wordt hier omgezet in nieuwsgierigheid. Ik wil je niet veroordelen, ik wil je begrijpen. Laten we hiernaar kijken. Er zit vast een mooie ontdekking in, iets van waarde. Dat is een helende ervaring, keer op keer.
Het ontroert me. Hanna is zo mooi gegroeid en ze is blij dat ze op dit spoor is gekomen. “Iedereen die erover twijfelt zou ik zeggen: doen,” zegt ze. Ik vond het een prachtig gesprek. Dank je wel dat je jouw Etenslessen hier wilde delen.
Je hebt geleerd om eten te beheersen. Maar vrijheid voelt anders. Vrijheid is luisteren naar je lichaam, je verlangens en waarheid. Het is stoppen met vechten en beginnen met begrijpen.
Dit zijn jouw etenslessen. Geen regels die je moet volgen, maar ontdekkingen die je mag doen. Als eten een worsteling is, is er iets in jou dat gehoord wil worden.
Overeten is de rook – niet het vuur. In mijn boek neem ik je mee in een nieuwe omgang met eten.